Hoofdstuk 1
Het dorp aan de rand van het Groene Woud
Tussen groene heuvels en fluisterende bomen lag een klein dorpje. De mensen noemden het Mistelgaarde.
Elke ochtend sloeg de smid op zijn aambeeld. “Kling. Klang.” De vonken stegen op als vuurvliegjes. De bakker liet zijn oven gloeien en de geur van brood en honingkoeken trok door de straten.
Voor zijn winkel ontstond een rij vol hongerige dorpsbewoners. Op het plein speelden kinderen tikkertje tot hun wangen zo rood waren als appels.
En in dat kleine dorp woonde Nora. Haar donkere haar zat vaak een beetje in de war, alsof de wind ermee speelde. In haar ogen glansde nieuwsgierigheid; het leek wel of er stukjes sterrenstof in verborgen lagen.
Ze woonde aan de rand van Mistelgaarde met haar ouders, haar zusje Ivy en haar broertje Ronin.
Ivy had een fantasie zo groot als de oudste boom. Ze geloofde dat elke steen en elke bloem een geheim fluisterde, en dat er vlak voor de nacht kleine wezentjes verschenen om heel zachtjes de zon uit te blazen.
Ronin kon nooit stilzitten. Hij rende dagenlang met zijn zwaard achter stofpof-kikkers aan en lachte wanneer bij elke sprong een wolkje goudstof opwaaide.
Hun ouders leerden de kinderen alles over de natuur. Welke bessen je kunt eten. Hoe je aan wolken het weer kunt voorspellen. En wanneer nachtbloemen bloeiden om naar de sterren te luisteren.
Die liefde voor alles wat leeft groeide diep in Nora’s hart. Ze voelde dat er méér was in de wereld; iets wat ze nog niet kon zien, maar wél kon voelen.
Elke avond zat het hele dorp aan lange houten tafels op het plein. Er waren stoofpotten en kruidige gerechten, gemaakt van ingrediënten uit het Groene Woud.
De dorpsoudsten vertelden verhalen over wezens die niet meer bestonden: vliegende pluimpootjes, zingende kroesmuizen en natuurlijk… draken.
“Gelukkig,” zeiden ze vaak, “zijn draken al honderd-en-één winters niet meer gezien.”
Sommige dorpsoudsten beweerden dat het laatste drakenverhaal een vergissing was. Iemand had een grote, vliegende geelstaart-hagedis voor een draak aangezien.
De meeste mensen geloofden dat draken echt waren uitgestorven, net als de vijfkoppige slijmsalamander, waarvan de laatste, zo ging het verhaal, per ongeluk was opgegeten door een hongerige dorpsbewoner.
Maar Nora geloofde dat niet helemaal.
Wanneer ze naar de donkere toppen van het Verloren Gebergte keek, kriebelde haar buik. Soms dacht ze een schaduw te zien bewegen in de lucht boven de bergen. Maar niemand anders leek het te zien.
Hoofdstuk 2
De droom
Op een warme zomeravond kleurde de hemel fel rood. Terwijl de zon achter de heuvels zakte, rende een reiziger in paniek het dorp binnen.
Zijn mantel was gescheurd. Zijn laarzen waren versleten. Zweet glansde op zijn voorhoofd. Hij hief zijn armen.
“De draken zijn terug!” zei hij met trillende stem. “Ik zag hun schaduwen boven de bergen!”
De dorpelingen keken hem aan en begonnen toen te lachen.
“Je hebt vast honger en kou geleden,” zei een oude vrouw. “Naast de kerk staat een herberg. Daar brandt altijd een haard, met dekens zo zacht als wolken.”
Nora lachte niet. Haar hart bonsde in haar keel. Draken? Zou het dan toch waar zijn?
De dorpelingen gingen verder waarmee ze bezig waren en de reiziger droop langzaam af richting de herberg. Terwijl hij langs Nora liep, zag ze de angst in zijn ogen.
Nora wilde hem nog iets vragen, maar nog voordat ze de juiste woorden kon vinden, was de reiziger al de hoek om gelopen.
Die nacht kon ze moeilijk in slaap komen. De kriebel in haar buik werd sterker.
“Misschien waren die schaduwen echt,” fluisterde ze.
Ze sloot haar ogen en viel uiteindelijk in slaap.
In haar droom stond een kleine, geheimzinnige vrouw op een open plek in het Groene Woud. Haar mantel glinsterde in het maanlicht.
Het was precies de plek waar Nora vaak verstoppertje speelde met Ivy. De vrouw boog zich naar haar toe.
“Alleen jij kunt het oude geheim van jullie familie wakker maken,” zei ze zacht. “Een kracht die al generaties slaapt in de schaduw. Het leven in het Groene Woud staat op het spel. Jij moet het beschermen.”
Nora schrok wakker. Haar hart klopte zo hard dat ze dacht dat iedereen het kon horen.
Hoofdstuk 3
Het Jaar van de Kleine Woudlopers
Nora staarde voor zich uit. Wie was die oude vrouw?
Ze voelde zo vertrouwd. Alsof Nora haar ooit had gekend… of misschien alsof die vrouw háár altijd al had gekend.
Ze ging rechtop zitten, het dekbed nog warm om haar heen geslagen. Door het kleine raam boven haar bed viel een streepje ochtendlicht naar binnen.
Wat was dat familiegeheim waar de vrouw over sprak? En waarom hadden papa en mama er nooit iets over verteld? Misschien wisten ze het zelf niet… of wilden ze het juist vergeten?
Van beneden klonk het zachte gerinkel van kopjes. Mama was al wakker.
Even wilde Nora roepen, maar iets hield haar tegen. Het voelde als een stem in haar hoofd, dezelfde stem als in haar droom, die zei:
“Nu is niet het juiste moment. Volg je gevoel.”
Die ochtend wist Nora precies wat ze ging doen. Ze zou naar de plek uit haar droom gaan.
Gelukkig hoefde ze vandaag niet naar school; eigenlijk het hele jaar niet. Nora zat namelijk in het Jaar van de Kleine Woudlopers.
Dit was een bijzonder jaar waarin alle kinderen die tien waren, vier seizoenen lang het klaslokaal verruilden voor het Groene Woud. Ze leerden niet uit boeken, maar van de bomen, de dieren en de rivieren.
In elk seizoen wachtte een nieuwe uitdaging. Een proef die hen dichter bij het hart van de natuur bracht.
Vandaag begon Nora aan de Lenteproef, de eerste beproeving van het Jaar van de Kleine Woudlopers. In deze proef leerden de kinderen luisteren naar alles wat leefde in het Groene Woud.
Ze moesten onder de open hemel slapen, met alleen het gefluister van de bladeren als deken en het zachte gezang van de krekels als slaapliedje.
Ze leerden luisteren naar de hartslag van het Groene Woud: het rustige ritme van de wind door de takken, het geklater van water over stenen en het zachte geritsel van insecten over de grond.
Maar dat was nog niet alles. Om de proef echt te voltooien, moesten de Woudlopers bij het eerste ochtendlicht een bijzondere bloem vinden.
Die bloem kon alleen worden gevonden door goed te luisteren naar de hartslag van het Groene Woud. De dorpsoudsten noemden haar de Fluisterbloem, omdat de bloem een geheim fluisterde dat alleen echte Woudlopers konden verstaan.
Sommige kinderen hadden de bloem nog nooit gevonden. Ze raakten verdwaald, of hun gedachten waren zo druk dat ze de zachte fluisteringen van het Groene Woud niet konden horen.
Anderen gaven te snel op, bang voor de schaduwen tussen de bomen in de nacht, of voor het zachte geritsel van bladeren dat hen deed denken aan het geluid van de giftige groene snotterslang.
Nora besefte dat de plek uit haar droom maar op ongeveer tien minuten lopen van haar huis lag. Als ze snel ging, kon ze daarna nog aansluiten bij de Lenteproef, die zou beginnen bij de oude eik.
Volgens de Woudlopers was die boom al honderdduizend jaar oud, en zo dik dat er wel tien kinderen hand in hand moesten staan om hem helemaal te omarmen.
Nora pakte haar spullen bij elkaar: een kaneelbroodje dat nog heerlijk naar de oven rook, een handjevol gedroogd bosfruit en haar kalebas, gevuld met fris water uit de dorpsbron.
Voorzichtig stopte ze alles in haar plunjezak, die haar moeder speciaal had gemaakt voor het Jaar van de Kleine Woudlopers. De tas was versierd met kleine borduursels van bladeren en sterren die volgens haar moeder geluk brachten onderweg.
Toen ze afscheid nam, gaf haar moeder Nora een lange knuffel. Haar vader was op reis, ergens ver voorbij de heuvels, om iets te doen waar haar ouders nooit veel over vertelden.
Nora draaide zich om om te vertrekken, maar haar blik bleef hangen bij iets in de hoek van de kamer: de oude wandelstok van opa.
De stok was glad en donker van kleur, met vreemde inkepingen die op runen leken. Ronin gebruikte hem vaak als zwaard wanneer hij riddertje speelde met de stofpof-kikkers in de tuin.
Nora glimlachte. Opa zou het vast niet erg vinden als ze de stok even leende.
Ze pakte hem op. Het hout voelde warm in haar hand, alsof de stok wist dat hij eindelijk weer op avontuur mocht.
Hoofdstuk 4
De oude vrouw
Nora zwaaide nog één keer naar haar moeder en liep langs de appelbomen richting het Groene Woud.
De ochtendmist hing laag tussen de bomen, alsof het woud haar stilletjes begroette. Ze hoorde vogels zingen. Bladeren ritselden in de wind. Ze merkte niet dat er iemand achter haar liep.
Pas toen Nora het woud instapte, voelde ze een klein tikje tegen haar arm. Ze draaide zich om en schrok.
“Ivy! Wat doe jij hier?” zei ze.
Ivy keek haar aan met grote, glinsterende ogen.
“Ik… ik wilde niet dat je alleen ging,” zei ze.
Nora zuchtte, maar haar hart werd warm. Ivy was soms irritant, soms druk, maar het bleef haar kleine zusje.
“Vooruit dan,” zei Nora, “maar blijf dicht bij me. En waag het niet om je te verstoppen; ik moet ergens naartoe.”
Ivy knikte en liep snel achter haar aan.
Samen liepen ze dieper het Groene Woud in. De lucht werd koeler en stiller, alsof het bos luisterde naar hun stappen. Uiteindelijk bereikten ze de met mos bedekte open plek uit Nora’s droom.
Daar stond de oude vrouw. Ze leunde licht op een stok die hetzelfde uitzag als de stok die Nora bij zich had.
Toen Nora dichterbij kwam, gaf de oude vrouw haar een warme glimlach.
“Daar ben je,” zei ze zacht, alsof ze Nora al lang kende. “Ik wist dat je zou komen.”
Ivy verstopte zich achter Nora, maar gluurde nieuwsgierig naar de vrouw. De oude vrouw glimlachte ook naar Ivy, alsof ze haar eerder had gezien.
Nora slikte en stapte naar voren.
“Wie bent u eigenlijk?” vroeg ze zacht.
De vrouw keek haar aan met ogen die schitterden als sterren in een heldere nacht.
“Er komt een tijd voor antwoorden,” zei ze vriendelijk, “maar die tijd is niet nu.”
Nora wilde nog iets vragen, maar de vrouw sprak verder. Haar stem werd ernstig, als het geruis van een winterstorm.
“De wereld staat aan de rand van een groot gevaar,” zei ze. “Een oud kwaad is wakker geworden. Het verbergt zich in de duisternis, als een slang onder de grond die wacht tot de wereld haar ogen sluit.”
“Nu is het wakker… en het groeit,” zei ze. “Het kruipt door de wortels van bomen, door het water in de rivieren, door de dromen van mensen. Niemand kan het stoppen. Niemand… behalve jij, Nora.”
Ivy hapte zacht naar adem. Ze begreep het niet helemaal, maar ze voelde dat het ernstig was.
De vrouw draaide zich om en gebaarde naar een smal, met mos begrensd pad achter haar. Het leek uit het niets te ontstaan, alsof het bos van vorm veranderde.
“Volg dit pad,” zei de oude vrouw. “Daar, op de plaats waar zelfs het bos zijn adem inhoudt, ligt wat je zoekt.”
Ze keek Nora aan, nu zonder glimlach.
“Vind het geheim dat daar verborgen ligt… pas dan kunnen de antwoorden komen,” zei ze.
Nora’s hart klopte sneller. Ze keek naar Ivy, die stil voor zich uit staarde.
De oude vrouw vroeg of Ivy bij haar wilde blijven tot Nora terug was. Nora had niet verwacht dat Ivy ja zou zeggen, maar voor ze het wist, greep Ivy de hand van de vrouw.
Even twijfelde Nora. Maar diep vanbinnen wist ze het heel zeker: bij deze vrouw was Ivy veilig.
Hoofdstuk 5
De geheime grot
Nora stapte voorzichtig het smalle pad op. Ze kende deze plek goed, maar dit pad… dit had ze nog nooit gezien. Het kronkelde als een oude rivier door het Groene Woud.
Hoe verder ze liep, hoe donkerder het werd. Niet omdat de zon verdween, maar omdat de bomen dichter bij elkaar stonden.
Hun kronen vormden een dak van bladeren waar bijna geen licht doorheen druppelde. Het voelde alsof het woud zijn adem inhield, wachtend op wat er komen ging.
Aan het einde van het pad verscheen een enorme rots, groot en rond als een slapende reus. Hoe dichter Nora bij de rots kwam, hoe duidelijker ze het hoorde: een zacht, laag gezoem, alsof de steen ademde.
Ze legde haar hand op de rots. Het oppervlak trilde heel licht onder haar vingers.
Toen zag ze het. In het grijsgroene oppervlak waren tekens gekerfd. Er ging een schok door haar heen. Ze herkende ze! Niet uit een boek, niet uit het dorp, maar van iets heel dichtbij: de wandelstok van opa.
Opeens werd haar keel droog. De rots was geen rots. Het was een ingang: een ronde grotopening die volledig werd afgesloten door de zoemende steen.
En het leek alsof de rots langzaam probeerde te verschuiven… alsof hij wachtte tot Nora begreep wat ze moest doen.
Nora plantte haar voeten in het zachte mos en duwde met al haar kracht tegen de reusachtige rots. Haar schouders trilden. Haar vingers gleden over het koude steenoppervlak.
De rots bewoog geen centimeter.
Ze zuchtte en keek omhoog. Een zonnestraal brak door het bladerdak en viel als een gouden speer op de rots. Waar het licht de rots raakte, glansde iets: een klein, nauwelijks zichtbaar gat.
Nora boog zich voorover en streek met haar hand langs de opening. Ze stak voorzichtig haar vinger erin, maar er gebeurde niets.
Toen zag ze het pas echt. De zonnestraal schoof verder over de rots en de ingekerfde runen begonnen op te lichten, één voor één, als slapende vuurvliegjes die wakker werden van het licht.
Het was betoverend om de runen tot leven te zien komen.
Op dat moment wist ze wat ze moest doen. Haar hand greep naar de wandelstok van opa. Het hout voelde anders nu: warmer, met een lichte trilling die door haar handen ging.
Nora ademde diep in en bracht de stok naar het ronde gat. Met een laatste blik op de gloeiende runen zette ze het uiteinde van de stok in de opening en duwde naar voren.
De stok klikte vast.
Meteen begon de rots onder Nora’s handen te trillen. Met een oorverdovend gerommel schoof de enorme steen langzaam opzij, alsof de slapende reus werd wakker geschud. Mos en aarde gleden langs de zijkanten. Een donkere opening werd zichtbaar.
Uit de duisternis woei een zachte bries naar buiten. Tot Nora’s verbazing herkende ze de geur meteen: houtrook en de zoete, vertrouwde geur van thuis.
Verderop, diep in het duister, schitterde een klein licht, alsof er binnen één enkele ster straalde.
Met bonzend hart zette Nora een stap naar binnen.
De grot was koel en stil. Spinrag hing als zilveren slingers tussen de wanden; soms gleed een draad langs haar wang als een koude lijn.
Onder haar schoenen kraakte iets. Nora slikte, maar durfde niet te kijken wat het was: een steen, droge takken… of iets anders.
Het gezoem werd sterker. Het trilde langs haar oren, tot het bijna klonk alsof het geluid woorden probeerde te vormen. Ze hield haar adem in.
Het klonk… als gefluister.
En het fluisterde haar naam.
Hoofdstuk 6
De stem
“Nora…”
Het klonk niet hard, maar wel duidelijk, alsof de stem niet door de grot zweefde, maar rechtstreeks in haar hoofd sprak.
Nora slikte en zette een voorzichtige stap vooruit. Haar hand gleed langs de ruwe rotswand terwijl ze de stem volgde, die haar dieper de grot in leidde.
De lucht werd warmer. Met elke stap voelde ze zich rustiger. De angst die ze even had gevoeld, smolt weg als sneeuw in de zon.
Na een laatste bocht opende de gang zich in een grote, ronde ruimte.
In het midden stond een stenen altaar. Bovenop brandden een paar kaarsen met stille, goudkleurige vlammen. Ze flakkerden niet, zelfs niet toen Nora dichterbij kwam. Het was alsof de tijd hier stil was blijven staan.
Nora bleef staan.
Zonder waarschuwing doofden alle kaarsen tegelijk. De duisternis viel als een deken over haar heen.
Nora’s hart begon sneller te kloppen, maar vóór ze bang kon worden, gebeurde er iets. Eén voor één gingen overal om haar heen kaarsen aan: langs de wanden, hoog boven haar hoofd, in kleine nissen en diepe spleten.
Honderden kaarsen verlichtten de ruimte in warm, dansend licht.
Nora draaide langzaam rond. Nu zag ze het.
De muren waren bedekt met muurschilderingen. Oude, verweerde afbeeldingen, maar nog steeds duidelijk.
Ze toonden mensen en wezens die zij nog nooit had gezien: monsters met schubben zo zwart als nacht, ogen als vuur en klauwen groter dan zwaarden.
Daartegenover stonden mensen met zwaarden en speren, en licht dat uit hun handen leek te schijnen.
Sommige schilderingen lieten strijd zien. Andere toonden verlies. En weer andere… hoop.
Er gleed een rilling over Nora’s rug. Dit zijn geen sprookjes, dacht ze.
“Inderdaad,” zei een stem achter haar.
Hoofdstuk 7
De wachter van het Groene Woud
Nora draaide zich om. Op het altaar stond nu iemand.
Hij was oud, met brede schouders en een rechte houding, alsof hij ooit sterk en onbevreesd was geweest. Zijn lichaam was doorschijnend, als mist in mensenvorm, en toch leek hij echter dan alles om haar heen.
Een zachte gloed omhulde hem, alsof het kaarslicht uit hem kwam.
Tot haar eigen verbazing schrok Nora niet. Integendeel, ze voelde zich rustig. Alsof ze eindelijk op een plek stond waar ze altijd al had moeten zijn.
De man glimlachte.
“Ik zie,” zei hij met een warme, diepe stem, “dat jij mijn stok hebt meegenomen, Nora.”
Haar vingers sloten zich om het hout van de wandelstok. Haar adem stokte.
“Uw… stok?” fluisterde ze.
Ze keek beter naar hem. Zijn ogen hadden dezelfde zachte twinkeling als die van haar moeder. Zijn haar viel met dezelfde slag. De glimlach was zó herkenbaar.
Langzaam drong het tot haar door.
“Opa…?” zei Nora zacht, alsof ze het bijna niet durfde te geloven.
De man knikte.
Nora voelde een brok in haar keel. Ze had haar opa nooit gekend; hij was overleden vóór zij geboren was.
Mama had verhalen verteld over zijn tochten door het Groene Woud, over gevaren en monsters. Nora had altijd gedacht dat het sprookjes waren, mooie verhaaltjes voor het slapengaan.
De man zuchtte zacht, als wind die door oude bladeren glijdt.
“Je moeder heeft je geen sprookjes verteld, Nora,” zei hij. “Ze heeft je beschermd.”
Hij stapte van het altaar af. Zijn voeten raakten de grond niet; hij leek te zweven over de stenen. Terwijl hij langs de muurschilderingen ging, begonnen sommige figuren op te lichten.
“Wat jij hier ziet,” vervolgde hij, “is het verhaal dat niet meer verteld mocht worden.”
Hij bleef staan bij een schildering van een enorm wezen, groter dan alle anderen. Het had geen duidelijke vorm: te veel schaduwen, te veel ogen. De lucht rondom de afbeelding leek donkerder dan de rest van de muur.
“Lang voordat Mistelgaarde bestond,” zei opa, “was er iets dat niet in deze wereld hoorde.”
“Het voedde zich met angst,” ging hij verder, “met wanhoop en de donkere gedachten die mensen kunnen hebben.”
De kaarsen begonnen onrustig te flikkeren.
“Wij durfden zijn echte naam niet uit te spreken,” zei hij. “Wij noemden het de Schaduwvanger. Wie zijn ware naam uitsprak, werd voor altijd verdoemd.”
Nora’s blik gleed over de muren. Ze zag mensen op de grond liggen. Dorpen die brandden. Bossen die zwart kleurden.
“En u?” vroeg ze met trillende stem. “Wat heeft u daarmee te maken?”
Opa draaide zich langzaam naar haar om. De warmte in zijn ogen was er nog, maar daarachter lag iets anders… angst.
“Ik was een Wachter,” zei hij. “Net als mijn ouders en grootouders. Wij hielden de Schaduwvanger gevangen.”
Hij keek naar de wandelstok in Nora’s handen.
“Die stok is geen wandelstok,” zei hij zacht. “Het is een sleutel.”
De grot begon heel licht te trillen, alsof iets diep onder de grond bewoog. Stof dwarrelde uit scheuren in het plafond. De kaarsvlammen kleurden plots blauw.
Opa’s blik werd scherp.
“Het Kwaad is wakker aan het worden, Nora,” zei hij dringend. “En het weet dat jij de sleutel hebt.”
“Wat moet ik doen?” riep Nora.
Opa kwam dichterbij, zo dicht dat ze de warmte van zijn licht kon voelen.
“Je moet…”
Een diepe dreun rolde door de grot. Niet van boven… maar van beneden. De muurschilderingen begonnen te barsten.
Opa keek verschrikt op.
“Het is te vroeg!” schreeuwde hij. “Veel te vroeg!”
Aan de rand van de ruimte scheurde de grond open. Uit de duisternis steeg een laag, grommend, hongerig geluid op. Nora’s wandelstok begon fel te gloeien.
En toen doofden alle kaarsen.
Hoofdstuk 8
De Schaduwvanger
Een fel licht schoot uit de grond omhoog, recht door de duisternis heen. Het was zó helder dat Nora haar handen voor haar ogen sloeg.
Het grommende geluid verstomde, alsof het werd teruggeduwd in de diepte.
Toen het licht langzaam wegebde, gingen de kaarsen één voor één weer aan. Nora liet haar handen zakken.
Haar opa stond voor haar. Nu keek hij bezorgd en angstig.
“Het is ontwaakt,” zei hij. “Niet volledig… maar genoeg om zijn krachten te verzamelen om los te breken.”
“Wat?” fluisterde Nora.
“De Schaduwvanger,” zei hij. “Iets of iemand heeft hem wakker gemaakt uit zijn slaap. Hij zit nog steeds gevangen, diep onder het woud, maar zijn krachten groeien. De spreuk die hem vasthoudt, wordt zwakker.”
Nora voelde haar handen trillen.
“Hoe lang nog?” vroeg ze.
Opa schudde langzaam zijn hoofd.
“Niet lang,” zei hij.
Hij keek naar de wandelstok in haar hand.
“Luister goed, Nora,” zei hij. “Thuis, in jullie huis, onder de vloer… ligt een kistje verborgen. Het ligt onder een losse plank.”
“De stok zal het openen,” zei hij. “En wat daarin zit… zal jou vertellen wat jij moet doen.”
“Maar…” begon Nora.
“Geen maar,” onderbrak hij haar. “Je kunt hier niet langer blijven. De grot is niet veilig meer. De Schaduwvanger voelt jouw aanwezigheid.”
De grond begon weer te trillen. Opa’s blik werd scherp.
“Ga… nu,” fluisterde hij.
Nora aarzelde geen seconde. Ze draaide zich om en rende terug. Haar voeten gleden bijna over de gladde stenen terwijl ze door de gangen stormde.
Het gefluister bleef achter.
Hoofdstuk 9
Terug naar huis
Toen ze het daglicht weer zag, merkte ze pas hoe koud ze het had.
Buiten, op de open plek, stond Ivy te lachen. Ze speelde tikkertje met de oude vrouw. Ze renden, bijna dansend, alsof de tijd langzamer tikte voor hun spel.
De vrouw keek op toen ze Nora zag.
“Heb je gevonden wat je zocht?” vroeg ze.
Nora slikte. “Ja,” zei ze.
De vrouw knikte langzaam. “Dan weet je nu wat je moet doen,” zei ze.
Ze legde haar hand op Nora’s schouder. Haar aanraking was warm.
“Schiet op,” zei ze zacht. “En wees niet bang.”
Ze boog zich naar Ivy. “Kom, kleine woudster,” zei ze. “Het is tijd om naar huis te gaan.”
Nora en Ivy liepen samen het pad af, richting Mistelgaarde. Na een paar passen draaide Ivy zich om. Ze zwaaide en riep vrolijk:
“Dag oma! Tot de volgende keer!”
Nora bleef abrupt staan. Oma? De oude vrouw uit het bos was dus haar oma. Het geheim voelde ineens nog groter dan de grot, de wandelstok en alle fluisterende stemmen samen.
Ze draaide zich om, maar de open plek was leeg. Geen oude vrouw. Geen schaduw. Alleen het geruis van bladeren.
Nora glimlachte en liep door naar huis.
Thuis stond haar moeder al in de deuropening.
“Nora! Waar ben je geweest? Ik was zó ongerust,” zei ze.
Maar Nora hoorde haar nauwelijks. Ze liep langs haar heen, haar hoofd vol met opa’s woorden: onder de vloer, losse plank, kistje.
Ze knielde neer en begon aan de planken te trekken. Eén voor één. Haar vingers werden rood. Haar ademhaling ging snel.
“Nora, wat doe je?” vroeg haar moeder.
“Het is hier… ik moet het vinden…” zei Nora.
Maar er was niets. Geen losse plank. Geen kistje. De wanhoop kroop omhoog. Haar ogen werden nat.
“Het is er niet,” fluisterde ze. “Het is weg…”
Ze liet zich achterover op de grond zakken. Haar moeder ging naast haar zitten.
“Nora,” zei ze zacht, “zal ik je helpen?”
Nora keek op.
“Ik weet wat je zoekt,” zei haar moeder.
Hoofdstuk 10
Het teken van de Wachter
Nora bleef haar moeder aankijken. De woorden echoden na in haar hoofd: Ik weet wat je zoekt. Het klonk niet als een vraag, maar als een belofte.
Haar moeder ging langzaam door haar knieën. Ze klopte op de houten vloer, vlak naast de haard.
“Hier,” zei ze zacht. “Deze plank. Hij ligt al los sinds vóór jij geboren werd.”
Ze tilde een randje op, alsof ze het al duizend keer had gedaan in haar gedachten.
“Ik heb hem nooit durven openen… tot nu.”
Nora’s keel werd droog. “Mama… hoe weet jij dit allemaal?” zei ze.
Haar moeder haalde diep adem.
“Omdat jij niet de eerste bent in onze familie die wordt geroepen,” zei ze.
Ze keek Nora recht aan. “Je vader en ik… wij zijn ook Wachters.”
Nora voelde de grond even wiebelen onder haar voeten.
“Papa komt uit een andere regio,” ging haar moeder verder. “Een plek ten noorden van het Verloren Gebergte. Ze noemen het Valenmor, het Land van Mist en Steen. Daar is hij de Wachter van zijn regio. Daarom is hij zo vaak weg. Het kwaad sluimert niet overal even stil.”
Nora slikte. “En jij dan?” vroeg ze.
Haar moeder glimlachte.
“Ik was ook een Wachter,” zei ze. “Maar toen het kwaad uit het Groene Woud verdween… verloor ik langzaam mijn krachten. Wachters leven van waakzaamheid. Als het gevaar verdwijnt, dooft het licht.”
Ze keek naar de wandelstok in Nora’s hand.
“Maar bij jou… is het licht nooit verdwenen,” zei ze.
Nora knielde bij de plank. Onder de plank lag een kistje. Ze stak de wandelstok van opa in de kleine inkeping in het hout.
Klik. Het slot sprong open.
In het kistje lag een opgerold stuk perkament en een kleine, gladde runesteen. Nora rolde het perkament uit. De lijnen vormden een kaart van het Groene Woud en ver daarbuiten. In sierlijke, oude letters stond:
Om de spreuk van de Schaduwvanger te herstellen, zijn drie Relieken van Oorsprong nodig.
Daaronder stonden ze:
- Een Drakenei van Obsidiaan
- De Spiegel uit het Stille Water
- Het Hartzaad van de Oerboom
Op de kaart vond ze drie symbolen; dat moesten wel de plekken zijn waar ze de Relieken van Oorsprong kon vinden.
Nora legde haar hand op de kaart. Ze was bang, maar ze wist wat haar te doen stond.
“Ik ga ze zoeken,” zei ze. “Alle drie. Ik zal de spreuk herstellen.”
Nora’s blik viel op de kleine runesteen in het kistje. Ze pakte hem op. Op het moment dat haar vingers het gladde oppervlak raakten, werd de steen warm.
Een tinteling schoot door haar hand, langs haar arm, recht naar haar hart. Ze hapte naar adem.
Op haar hand verscheen langzaam een teken: een cirkel met daarin een blad, een vlam en een oog.
Haar moeder sloeg haar hand voor haar mond.
“Het teken van de Wachter,” fluisterde ze. “Nora… jij bent nu officieel gekozen. De woudgeesten herkennen je. Het licht heeft je aangenomen.”
Nora staarde naar haar hand. Ze voelde zich anders. Niet groter. Niet sterker. Maar alsof er iets in haar was wakker geworden dat altijd had geslapen.
Buiten werd het plotseling stil. Te stil.
Nora liep naar het raam. Mistelgaarde lag er rustig bij, maar de lucht had een vreemde, grauwe kleur.
Aan de rand van het dorp, waar het Groene Woud begon, bewoog iets. Een schaduw. Niet van een boom. Niet van een huis. Iets dat zich langzaam losmaakte van het licht.
De Schaduwvanger is niet alleen wakker. Hij is onderweg.
Einde van boek een
Het verhaal van Nora gaat verder…